Kunstmatige intelligentie als culturele spiegel

Kunstmatige intelligentie wordt meestal besproken vanuit de vraag wat zij kan: teksten schrijven, beelden maken, diagnoses ondersteunen, patronen herkennen. Vanuit het denken van Arnold Cornelis is een andere vraag interessanter: wat zegt AI over de ontwikkeling van onze cultuur? Technologie staat nooit los van de cultuur waarin zij ontstaat. AI weerspiegelt onze manieren van denken. In die zin is zij niet alleen een technisch hulpmiddel, maar ook een spiegel van de menselijke geest.

AI kan worden gezien als een hoogtepunt van het rationele denken. Eeuwenlang hebben we geprobeerd de werkelijkheid meetbaar en berekenbaar te maken. Kunstmatige intelligentie zet die beweging voort: gezichten worden meetpunten, gesprekken worden taalpatronen en menselijke eigenschappen worden data. Dat levert indrukwekkende resultaten op. Tegelijk ligt daar haar grens. Een machine kan patronen in verdriet herkennen zonder verdriet te voelen en over liefde schrijven zonder ooit lief te hebben. De kaart kan steeds nauwkeuriger worden, maar blijft iets anders dan het landschap.

Rond AI keren bovendien oudere denkvormen terug. We spreken over machines alsof ze ons zullen redden of vernietigen. AI wordt orakel, helper, monster of bijna bovenmenselijke geest. Daarmee maken we de technologie groter en de mens kleiner. We vergeten dat ieder AI-systeem door mensen wordt ontworpen, gevoed en ingezet en dus menselijke keuzes en belangen bevat. AI kan ook het sociale regelsysteem versterken. Algoritmen selecteren, beoordelen en controleren. Daarbij dreigt de menselijke werkelijkheid ondergeschikt te raken aan modellen en procedures. “Het systeem” beslist en niemand voelt zich nog verantwoordelijk.

Tegelijk versterkt AI het chaotische denken. Teksten, beelden en video’s zijn steeds moeilijker op betrouwbaarheid te beoordelen. Informatie neemt toe, maar betrouwbaarheid niet vanzelf. Gepersonaliseerde systemen kunnen ons bovendien vooral tonen wat bij onze bestaande overtuigingen past. Dan ontstaat geen zelfsturing, maar geautomatiseerde bevestiging. Toch kan AI juist een hulpmiddel voor communicatieve zelfsturing worden. Een taalmodel kan helpen ideeën te onderzoeken, aannames zichtbaar te maken en alternatieven te vinden. Dat lukt alleen wanneer de gebruiker zelf blijft denken. Wie ieder antwoord aanvaardt, levert zijn oordeel uit.

De werkelijke vraag is daarom niet of AI intelligenter wordt dan de mens. De vraag is welke vorm van intelligentie wij zelf ontwikkelen in onze omgang met AI. AI kan menselijke ervaring niet vervangen. Zij heeft geen lichaam dat ouder wordt, geen jeugd om naar terug te verlangen en geen geliefde om te verliezen. Juist daardoor houdt zij ons een bijzondere spiegel voor. Misschien vindt de belangrijkste ontwikkeling van kunstmatige intelligentie uiteindelijk niet plaats in de machine, maar in de mens die ermee leert omgaan.

Vergelijkbare berichten

  • Donald volgens Arnold

    De verkiezing van Donald Trump kan worden geanalyseerd als een symptoom van de cultuur van de verdwaling. Volgens Arnold Cornelis botsen in de cultuur van de verdwaling twee culturele systemen. We leven in een overgangstijdperk van het sociale sturingssysteem naar het communicatieve systeem. Dat verloopt niet soepel. Het sociale regelsysteem biedt geen oplossingen voor nieuwe…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *